dinsdag 7 februari 2012

Daten met Duchka

"Goed," zei ze, "Ik ga er van door. Vaarwel, Daan." Ze gaf me een kus, draaide zich om en sprong op de trein. Het was half zes in een stad die ik ondertussen te goed had leren kennen. Bovendien was het erg koud geworden nu Duchka weg was. En mijn buikpijn was ook meteen over.

Ze zei dat ze Duchka heette en dat ze mij een vreemde vogel vond. Dat vond ik goed, want ik vond mezelf ook best een vreemde vogel. Daarna zei ze dat ze wat wou drinken. Dat vond ik ook goed, want ik was nog niet dronken. Bovendien had ik buikpijn en hoopte ik dat die weg zou gaan.

Zo kwam het dat ik op een zaterdag avond in café "De zinloze hopeloosheid" een duvel en een witte wijn bestelde. De duvel, die dronk ik zelf op; Duchka sipte van de witte wijn. En zo zaten we tegen over elkaar, aan het houten tafeltje, met een krakend beatles album op de achtergrond.

"Zo, Daan. Wat doe jij in het leven?" Ze had de enge stilte die tussen ons in lag gebroken met een vlijmscherp cliché. Ik vroeg me af of ik moest vertellen dat ik me elke nacht in slaap dronk en naar melige Duitstalige films keek. Zodoende duurde het even voor ik antwoordde.

"Sneller, Daan. Ik ben een internetfenomeen, ik heb geen tijd om te wachten op antwoorden van beginnende schijvertjes zoals jijzelf."

Ik aarzelde.
- "Goh. Eigenlijk niet zoveel. Overdag werk ik om 's avonds te kunnen rusten."
"Een mooi antwoord, Daan." zei ze. "Ik hou van de poëtische opbouw van die zin."
- "Ja, ik ook", loog ik. En jij?"
"Ik? Ik ben een internetfenomeen. Ik schrijf tekstjes en zet die online. Bovendien kan ik mooi zingen."
- "Ja, ik heb ze gelezen."
"Goed van je. Zag je ook mijn filmpjes?"
- "Nee." zei ik.

Ze zuchtte.
"Kijk, lieve Daan. Als je mijn stalker wilt zijn, zal je aan mijn lippen moeten hangen."
- "Ja, ik weet het", zei ik beschaamd. "Ik ben nogal nieuw in deze dingen."
"Dat geloof ik best. Maar misschien moet je dan maar eens proberen met een ietwat minder bekend internetfenomeen?"
- "Misschien. Maar ik ken er niet zo veel. Bovendien zag jij er het zachtst uit op je foto."
"Dat is terecht. Ik ben ook tamelijk zacht."

Het werd weer even stil. Ik zat naar mijn halve duvel te staren, Duchka gewoon maar uit het raam. Ze zag er inderdaad best wel zacht uit. Bovendien had ze krullen. Ik ben altijd al een beetje verliefd geweest op krullen.

"Zo", sprak ze na enkele minuten staren. "Dus jij bent verliefd op me geworden?"
Ik moest wel toegeven dat ik dat een beetje was geworden.
"Waarom?" vroeg ze. Haar ogen verraadden grote verwachtingen.
- "Omdat je zoveel woorden kent." loog ik.

Duchka bloosde. Ik durfde niet vertellen dat ik pas net verliefd geworden was, precies omdat ze bloosde.
"Dat is waar, ik ken erg veel woorden. Weet je dat de gemiddelde mens maar drie-en-zestig duizend woorden kent? Ik ken er zeker het dubbele." Ze lachtte. "Hoeveel woorden ken jij, Daan?"
- "Het gemiddelde" stamelde ik.
Ik dronk nog wat van mijn duvel en staarde in de verte.
Duchka sipte van haar wijn en staarde in de verte.

"Je bent gek in je hoofd, Daan. Je hebt zeker één of meerdere aandoeningen." Haar ogen keken serieus.
Ik beaamde dat. - "Er is er nog geen enkele officieel vastgesteld, Duchka. Maar ik geloof best dat er wel enkele zitten te sluimeren."
"Dat heb je vaak," ging ze verder, "zo'n aandoening die onderhuids blijft sluimeren tot ze er plotseling doorbreekt. Dat zie je ook vaak in films. Kijk jij films, Daan?"
- "Ja, ik kijk graag eens een film."
"Welke films kijk je dan?"
- "Van alles een beetje. Soms kijk ik Duitse films terwijl ik huilend in mijn bed lig."

Ik vervloekte mezelf omdat ik me had versproken. Duchka leek het laatste deel van de zin echter te negeren.

"Ja, daar hou ik ook van. Zo'n lekkere Duitse film onder een warm donsdeken."
Ik beaamde alweer. Daarna kocht ik een tweede duvel en een tweede witte wijn.

"Goed, hier zitten we dus." zei Duchka. "Hier zitten en we moeten hier blijven zitten tot we hier vandaan gaan."
- "Wil je weg, Duchka? Als je dat wilt dan mag dat."
"Nee, ik vermaak me wel." zei ze, "ook al zeg jij niet veel."
Ik zei niets.

"Ik zie het al" begon Duchka weer, "jij hebt een gat in je wereld en je wilt dat opvullen. Daarom ben je op zoek naar een meisje. Je denkt dat zo'n meisje dat gat in je wereld kan opvullen, maar je bent mis."
- "Dat is waar, Duchka, dat heb ik ook al eens bedacht."
"Ja, jij denkt teveel." zei ze. "Gelukkige mensen denken waarschijnlijk minder dan jij."
- "Dat is ook waar, Duchka. Ik denk zelfs dat ik grotendeels in mijn hoofd leef."
Ze lachte. "En hoe is het daar, in dat hoofd van je?"
- "Redelijk koud."
Ik lachte niet.

"Maar hoe komt dat gat dan?" vroeg Duchka. "Hoe heb je dat gat zo groot laten worden?"
- "Wel", vertelde ik, "het zit zo. Eens was het een klein gaatje. Een gaatje waar precies één klein meisje in paste. Dus nam ik een meisje van de straat en stak het er in. Het was een lief meisje, een teder meisje, zo'n meisje waarvan je zegt, ja, dat is een goed meisje om gaten mee te vullen."
"Goed, een meisje dus."
- "Niet zomaar een meisje..."
"Alle meisjes zijn zomaar meisjes, Daan. Je kan er niet omheen, een meisje heeft een poes en twee borsten, verder zijn het meisjes."
- "Dit meisje niet."
"Jawel. Maar goed, wat gebeurde er toen?"

Ik staarde nog wat in de verte. Het kwetste me een beetje dat Duchka m'n meisje eenvoudigweg "meisje" had genoemd.

- "Wel, dat meisje had honger, dus gaf ik haar eten" ging ik verder.
"Dat is erg nobel van je."
- "En terwijl dat meisje daar zo zat te eten, keek ik naar haar."
"En je at ook zelf iets?"
- "Ja, ik at ook zelf iets. Maar dat meisje werd dus dikker en groter, het groeide en groeide. En dat gat, dat werd dus ook steeds groter. Dat rekte als het ware uit."
"Dat heb je met gaten", zei Duchka, "ze blijven meestal niet even groot.
- "Ja. En op het einde was het meer een groot, gevuld gat dan iets anders."
"... en toen is dat meisje verdwenen."
- "... en bleef er enkel een groot gat over."

Duchka knikte. "Ik begrijp wat je bedoelt."
"Maar je bent erg dom geweest, Daan. Je mag dat niet laten gebeuren."
- "Het ging vanzelf" zei ik, "ik kon er niets aan doen."
"Alweer fout, Daan" zei Duchka. "Jij hebt volledige controle over alles wat er in jezelf gebeurt."
- "Hoe bedoel je dat, Duchka?"
"Wel, het was jouw keuze om dat gat te maken, het was jouw keuze om het te vullen. En het was ook jouw keuze om dat meisje te laten ontsnappen."
- "Hoe was dat mijn keuze, Duchka?"
"Je hebt je lot in eigen handen, Daan. Alles wat je doet is dus je eigen schuld."

Ik werd stilaan een beetje kwaad op die Duchka. Dat kwam mij hier even de les spellen over mijn diepste gevoelens.

- "Heb jij je lot dan in eigen handen, Duchka?" vroeg ik.
"Nee, ik laat het maar een beetje begaan."
- "En word je daar dan gelukkig van, Duchka?"

Ze dacht na.
"Nee, maar ik ben ook niet ongelukkig."

- "Geluk is het gebrek aan ongeluk" mijmerde ik.
Het werd weer even stil.

"Goed", zei Duchka terwijl ze zich recht stelde en haar jas nam. "Kom, Daan, we gaan dansen."
Ik nam mijn jas en volgde Duchka naar buiten.
"Waar kan men hier dansen, Daan?"

Ik wist het niet goed, ik zei dat ik niet zo'n danser was. Dat vond ze stom, ze zei dat iedereen kon dansen. Daarop ging ze de eerste de beste kroeg binnen waar luide muziek speelde en jongeren aan het feesten waren. Ze danste. Ik bestelde nog een witte wijn en een duvel. Daarna zwaaide ik wat met mijn armen en mijn benen. Duchka vond dat uiterst vermakelijk.

"Je danst zoals een marionet." riep ze.
Dat was waar.

Ik had ondertussen nog meer buikpijn gekregen van de opbouwende seksuele spanning in mijn ziel en de duvels die zich begonnen op te stapelen in mijn maag.

Toen Duchka klaar was met dansen zei ze dat ze naar buiten wou. Het was koud buiten, maar ik had een warme jas aan, die ik aan Duchka gaf. Zo stond ik te rillen, terwijl Duchka lekker warm in een dubbele jas zat. Ik rookte een sigaret.

"Roken schaadt de gezondheid." merkte Duchka op.
- "Dat weet ik" zei ik. "Maar niet roken schaadt mijn ziel."
"Dat is bullshit" zei Duchka.
Daarna wou Duchka naar de sterren kijken.

We gingen in een park in het gras liggen, naast elkaar. Ik had het nog steeds koud. Er was weinig bewolking, dus keken we naar de sterren.
"Ken jij de Lion King, Daan?"
- "Ja" zei ik.
"Ik ook" zei zij.

Stilte.

"Je mag me knuffelen als je wilt."
- "Ok" zei ik. Ik knuffelde Duchka.

Stilte.

"Ik ga naar huis" zei Duchka.
- "Goed" zei ik.

We wandelden naar het station.

donderdag 24 maart 2011

Lentekriebel

De schoonste dag van het jaar is ongetwijfeld de eerste dag dat de bouwvakkers in bloot bovenlijf door de straten paraderen. Niet dat ik geassocieerd wil worden met enige homoseksuele uitingen, maar deze behaarde parade van robuuste mannenborst leert ons dat het ook voor de gewone man tijd is om zich van trui en jas te ontdoen en in t-shirt de stad te gaan beleven. Terrasje, iemand?

Met een blikje Maes zitten we deze keer aan de Graslei voor ons uit te staren. Het is een behoorlijke drukte daar, mensen die zitten, mensen die staan, mensen die huppelen, mensen die drinken. Kortom, een kleurrijke menigte die met z'n allen de eerste dag van de lente viert.

Knut is extra stil vandaag. Zijn naamgenoot, een ijsbeer uit Berlijn, is deze week gestorven. Het laat natuurlijk niemand onberoerd, zo'n ijsbeer die zijn laatste adem uitstoot, maar voor Knut (de mens) moet het extra moeilijk geweest zijn. Maanden heeft hij met een foto van Knut (de ijsbeer) op café gezeten, verhalen vertellend over zeehondjesvlees, verstoten worden door moeders en ijsberen.

Dit laatste was een hobby die Knut (de mens) aangenomen had om zijn band met Knut (de ijsbeer) te versterken: zodra het zomerseizoen afgelopen was ging hij elke week zwemmen in een plas. In september valt dat allemaal nog goed mee, maar zodra de herfstwinden kwamen opdagen kreeg Knut (de mens) het toch moeilijk. Eind november had hij het opgegeven, dat ijsberen. Wel eet hij nog steeds illegaal geïmporteerde zeehond.

"Kijk daar", spreek ik tot Knut, "al die feestende lijven. Het wordt lente. Eindelijk kunnen we die vuile winter van ons afschudden. Tijd om de liefde, die zolang verscholen heeft gezeten onder dikke lagen ijs, terug vrij te laten."

Knut laat een boer. "Jaja, 't zal wel, 't zal wel."

Voor ons haalt er iemand een gitaar uit zijn binnenzak. Verdronken vlinder van Boudewijn de Groot op de Graslei, hoe is het in godsnaam mogelijk? De schorre stem van de kalende veertiger, verdwaald in een landschap vol jongelui, voert talloze luisteraars mee op een vreemd zonnige reis.

Knut zit ondertussen naar de meisjes te kijken. Hij glimlacht als een blonde stoot dat opmerkt en een blikje Jupiler naar hem heft. Hij zou naar haar toe kunnen gaan, maar dat doet hij niet; liever de lange-afstand-broederlijkheid. We nemen elk nog een blikje Maes. We klinken op het leven, we drinken op het leven. Lange leve de Lente, weg met De Winter!

De kalende veertiger speelt nog een liedje - een verrassend indrukwekkende versie van Meisje van 16 van diezelfde de Groot - neemt hartelijk een klein applausje in ontvangst, steekt de gitaar terug in zijn binnenzak en komt naast mij zitten.

"Indrukwekkend", zeg ik hem, "heerlijk om te horen bij zo'n prachtige lentedag."
De man glimlacht een paar tanden bloot. Ik bied hem een sigaret aan die hij aanneemt en ietwat onwennig aansteekt. Hij neemt een grote trek, inhaleert en hoest zijn longen uit.

"Ik heb niet meer gerookt sinds... 1988 denk ik." zegt hij. Aanzetten tot roken, niet meteen een goeie daad, maar ach, het is onschuldig. En weet je wat, ik gooi er nog een blikje Maes bij ook. Dankbaar neemt de man het aan.

Zo zitten we even stil te wezen en voor ons uit te staren.

"Twee maand geleden is mijn dochter overleden", begint de man plots. Ik weet niet goed wat zeggen en besluit gewoon knikkend voor me uit te kijken. "Kanker", gaat hij verder. Ik blijf stil.

"Vijf-en-twintig jaar. Het zou niet mogen."
Ik schud mijn hoofd. Meer dan een klassieke "innige deelneming" kan ik niet opbrengen.

"Verdronken vlinder was haar lievelingslied."

We staren voor ons uit. Er blijven mensen naar de Graslei komen, het is al een aardige massa. Hier en daar zitten jongens en meisjes deuntjes te spelen op allerlei instrumenten; op de Korenlei wordt er gedanst.

De man staat op en gooit zijn blikje in de vuilnisbak. Hij gooit zijn gitaar over zijn schouder en blijft even staan denken. "Dank je om te luisteren" zegt hij na enige aarzeling. Mijn "Da's geen moeite" klinkt zo ongelofelijk onnozel in deze situatie, maar het is het enige wat ik heb.

De man wandelt weg in de ondergaande zon. Bedeesd blijf ik achter. Knut zit ondertussen toch weer bij het blonde meisje. Ik neem mijn gsm en zie dat ik een berichtje heb van Maaike. Waarom kan het niet altijd en voor iedereen lente zijn?

donderdag 17 maart 2011

Lachter en jolijt

Knut zit weer voor zich uit te staren. De discussie die ik al een dik half uur voer met de bingokast over wie nu precies wie gaat uitbetalen, interesseert hem al even niet meer. Ik merk een ietwat trieste blik in zijn ogen, misschien zelfs een hint van wanhoop. Hopeloos verliefd, die jongen. Bij gebrek aan meer munten laat ik het bingospel voor wat het is en zet me terug op mijn barkruk.

Ik geef Knut een klopje op zijn schouder en vraag, "Awel man, wat scheelt er aan?" Hij kijkt me bedroefd aan.
"Ach, Daan. 't Leven he, 't leven. Het maakt me soms allemaal zo moe."

Uit angst dat hij in tranen zou uitbarsten bestel ik snel nog twee pintjes. Een man hoort nooit te huilen, en als ik iemand kan helpen een traan te vermijden, doe ik dat met plezier. Dankbaar pakt Knut één van de glazen en drinkt het met enkele grote teugen leeg.
"Dank je, Daan. Dat smaakt."

Even later zitten we alweer samen voor ons uit te staren. Els is kennelijk op skivakantie, dus vandaag doet Ronny, de baas van 't kot, zelf het café open. Het was wel even verschieten, met zoveel grootste verwachtingen het café binnenkomen om dan te merken dat Els het zomaar even afgetrapt is; de sfeer is toch wel even anders als je bij een man een pint moet bestellen. Maar goed, Els is volgende week alreeds terug in 't land, we moeten haar dus maar eventjes missen.

"Weet je", begint Knut; hij is kennelijk nog niet voldoende getroost; sommige mensen kan je niet gelukkig maken. "'t Is dit meisje. Ze blijft maar in mijn hoofd spoken."

Ik knik, ik ken het gevoel. Ook ik zit soms met meisjes in mijn kop. Recentelijk, zelfs, loop ik aldoor aan een meisje te denken dat naar de naam Maaike luistert. Een prachtig kopje, een heerlijk lijfje, kortom, alles er op en eraan. Maar goed, ik ga er ook niet om huilen op café en ik hoop dat Knut rap zijn muil dicht houdt.

"Kijk", gaat Knut verder, "ik ken haar nu ongeveer vier maand en elke dag sturen we berichtjes naar elkaar. We spreken soms af, we houden handjes vast tijdens de film, we vrijen met elkaar. Maar toch, soms blijft het zo ongelofelijk afstandelijk."

"Ja, Knut. Ja. Je voelt je onzeker omdat zij bang is om zich met jou te binden, omdat zij niet zeker is of ze wel degelijk van je houdt?"
Knut knikt.
"Wel dan, stop daar onmiddellijk mee. Onzekerheid is ongelofelijk on-sexy en vooral zeer on-mannelijk. Ik zou je een tik in je wezen moeten geven gewoon omdat je zo onzeker bent."

Knut kijkt sip voor zich uit. Ik ook. Mijn gedachten dwalen af naar het huidige meisje van mijn leven. Wat zou zij ondertussen aan het doen zijn? Misschien zit ze even naar televisie te kijken. Ik kijk op mijn horloge, half twaalf, virus zal binnenkort wel beginnen op canvas. Daar zal ze wel op aan het wachten zijn.

Knut drinkt zijn bier op, gaat pissen, komt terug, wenkt Ronny en bestelt twee pintjes. Ik hou hem tegen, "Maak daar maar een icetea van, ik moet nog rijden." Knut zelf is voor de verandering eens met zijn fiets gekomen en moet het niet zo ruim nemen met de alcoholwetgeving. Hij is een goede fietser met veel kracht in de benen, ik heb er het volle vertrouwen in dat hij nog thuis geraakt; ik hoop enkel dat hij niet van de dronkenschap begint te huilen.

"Knut", spreek ik statig, "het leven is niet altijd lachter en jolijt."

Ronny komt zich er ook even tussen moeien. "Volgens mij bestaat het woord lachter niet, Daan. Ik denk niet dat dat in het woordenboek staat." Verontwaardigd haal ik een dikke Van Daele uit mijn achterzak en gooi hem op de toog: "Hier, zoek het dan op hé, zagevent. Een pintje voor mij als je het vindt."

Een kwartier later heeft Ronny het nog steeds niet gevonden en besluiten we tezamen dat "lachter" dan misschien toch geen bestaand woord is, maar er toch één zou moeten zijn. Eerstdaags zal Ronny contact opnemen met de heer Van Daele zelf om het woord zo snel mogelijk in zijn dikke te krijgen.

Plots gaat mijn gsm af; het is Maaike. Ze zegt dat virus ook deze week bijster interessant was en dat ze me mist. Ik neem afscheid van Knut en Ronny, behelm en be-vest mezelve, stap op mijn eeuwige strijdmakker en rij zo snel als fysiek mogelijk naar Maaike's huis. Maaike doet open en geeft me een kus; "Waar was je nu zo lang?" fluistert ze. "Lachter en jolijk, Maaike. Lachter en jolijt."

donderdag 10 maart 2011

Tussen pot en pint

Donderdag avond. Ik zit, traditiegetrouw, met een halve pint voor mijn neus en een half opgerookte sigaret in de hand, aan de toog van café De Verloren Hoop te centrum Gent. Knut, mijn vaste strijdmakker in dergelijke nachten, zit naast me voor zich uit te staren; samen verloren in een eindeloze mijmering over het leven, het universum, kortom alles wat er is.

Het is rustig in De Verloren Hoop, de menigte beperkt zich tot het vaste cliënteel, de twaalf man en een paardenkop die, net als ik, de werkweek willen verzachten met enkele glazen gerstenat. Knut, echter, zit met een Ice-tea voor zijn neus omdat hij met de auto is. Ikzelf, niet met de auto maar met mijn niet-meer-zo-glanzende eeuwige strijdmakker, een Suzuki GSX750e motorfiets van bouwjaar 1982, beperk mij tot ééntje voor de smaak en een tweede om het af te leren. Dronken zullen we dus niet worden, maar 't is vooral voor de mijmering dat we hier zijn.

Een dronken medemens van bouwjaar lang voor 1982 klautert de barkruk naast me op en sommeert het meisje achter de bar om het volgende pintje te tappen.

“Hebt ge nog niet genoeg binnen, Jules?” merkt het bar-meisje op, maar Jules, erg op zijn pintje gesteld, werpt een “Nog eentje en we zijn naar huis” op en steekt het meisje een briefje van vijf euro in de hand.

“Allez, nog eentje dan. Maar 't is 't laatste he!” De man draait zich naar mij en zegt lachend “'t Is hier al mijn vierde laatste, Els kan niet meer tellen!” Bij het uitspreken van de naam Els gebaart hij met zijn hoofd in de richting van het bar-meisje en gaan zijn ogen even blinken. “'t Is toch een knap diertje hé, ons Els!”

Zoveel levenswijsheid kan ik natuurlijk niet in de wind slaan; Els is inderdaad een prachtig diertje. Jules krijgt zijn pint (én het wisselgeld) en de rust treedt weer in De Verloren Hoop. Knut, ik en Jules zitten voor ons uit te staren – of eerder te kijken hoe Els glazen wast.

“Weet je wat het probleem is met de huidige libertijnse maatschappij?” opper ik in Knut's richting, maar de paniekerige blik in zijn ogen verraadt dat hij het niet wéér over de teleurgang van het solidarisme en de destructieve natuur van de consumptiemaatschappij wilt hebben – laat staan over de smeltende poolkappen en het naderende Einde der Menschheid – dus ik hou mijn muil. Bovendien: de glazen zijn leeg en dienen dringend hervuld te worden.

Ik wenk Els en bestel een Ice-tea en een pintje. Of nee, Knut wilt graag een warme chocomelk met slagroom (angst in Els' ogen, weer heel die rotmachine opstarten), of nee... toch maar een Ice-Tea.

“Wat is dat, een Ice-Tea?!” zegt Jules spottend. “Wie drinkt er nu Ice-Tea op café?!” Knut haalt zijn schouders op: “Ik ben met de auto en ik moet morgen werken.” “Ah, dan is het je vergeven. Wat soort van werk doe je?” Jules ogen twinkelen van 't sociaal contact. “Ik ben software ontwikkelaar, ik werk momenteel in een web-development bedrijf.” “Aha, dan begrijp ik dat je niet teveel pintjes drinkt.” grapt Jules; de twinkeling is echter een stuk doffer geworden.

Even zitten we terug voor ons uit te staren. Els is bezig met de toog af te kuisen; we heffen de glazen zodat ze ook onze kleine leefwereld kan schrobben.

“Ik het ook informatica gestudeerd”; Jules verbreekt de stilte. “Vier jaar; aan de Schoonmeerstraat. Geslaagd met onderscheiding: ik ben Ingenieur in de Informatica.”

Even stilte.

“En nu ... nu zit ik aan den dop.” Jules heft het glas en kijkt me aan. “Weet je”, zegt hij, naar Knut wijzend, “'t is den slimste van den hoop. Pakt u ook maar een Ice-Tea in 't vervolg.”

Jules giet zijn laatste bier van de avond naar binnen en wenst ons in het algemeen en Els in het bijzonder, een goeie nacht. Hij neemt zijn jas en strompelt naar buiten, de koude bijna-lente-nacht in. Een kwartiertje later verlaten ook ik en Knut het pand en rij ik met een duizelingwekkende snelheid naar huis.

Het vervolg

Ze zaten naar het scherm te staren. Hij zag dat ze ontroerd was door wat ze las. Onverzadigbaar bleef ze naar beneden scrollen, op zoek naar het vervolg. Maar ze kon het niet vinden, hij wist dat ze het niet zou vinden, simpelweg omdat het nog niet bestond.

Vond je 't mooi? Klik op "Vind ik leuk" en ik vertel je binnenkort een nieuw verhaal.

Hierzo ↑